Vogel
Sneeuwduif
Sneeuwduif
Columba leuconota
Log in om deze soort toe te voegenDe Sneeuwduif behoort tot het geslacht Columba uit de familie van duiven (Columbidae)
.
De sneeuwduif is een vogel die voorkomt in de hoge gebieden van Centraal-Azië. Ze leven in de bergen van de westelijke Himalaya en oostelijk Tibet tot noordelijk Myanmar. Deze vogels zijn grotendeels grijs, zwart, bleekbruin en wit. Ze foerageren in open gebieden in paren of kleine groepen en eten graan, knoppen en zaden. Ze broeden in spleten van kliffen en bouwen daar rommelige nesten van twijgen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Columba
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Duiven
Voor het welzijn van duiven is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–5 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Tropische soorten hebben baat bij een vorstvrij verblijf (minimaal 15 °C).
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor graan- en zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor fruitduiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor grit en vers drinkwater.
Man:
Het mannetje is een forse rotsduif van circa 36-38 cm lengte, aangepast aan hooggelegen berggebieden. De kop, nek en borst zijn blauwgrijs, met een subtiele iriserende glans op de hals. De buik is vuilwit tot lichtgrijs. De rug en vleugels zijn donkergrijsbruin met contrasterende lichte veerranden die een geschubd effect geven. Kenmerkend is de brede, witte band over de bovenvleugels en mantel, die in vlucht bijzonder opvallend is. De staart is middellang en afgerond, donkergrijs met een duidelijke zwarte eindband. De snavel is zwart met een grijze washuid, de poten zijn rood, en de iris is oranjerood tot geel met een smalle bleke oogring.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is gemiddeld iets kleiner en doffer van tint. De borst is meer uniform grijs zonder uitgesproken glans, en de witte vleugelband is soms minder contrastrijk. De snavel, poten en iris zijn gelijk van kleur aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter en overwegend bruinachtig grijs. De rug en vleugels hebben bredere lichte veerranden, waardoor een duidelijke geschubde indruk ontstaat. De witte vleugelband is minder scherp afgetekend of ontbreekt in het jeugdkleed. De borst is vaalbruin, de buik vuilwit. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot roodachtig, en de iris zeer donker. Pas bij de eerste rui verschijnen de contrasterende witte vleugelband en de iriserende glans van adulten.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, grijsgelig dons dat uitstekende camouflage biedt in rotsige omgevingen. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Bij het uitvliegen verschijnen de eerste bruinige veren, waarna de kenmerkende witte vleugelband zich later ontwikkelt.