Vogel
Sneeuwgans (grote)
Sneeuwgans (grote)
Anser caerulescens atlanticus
Log in om deze soort toe te voegenDe Sneeuwgans (grote) behoort tot het geslacht Anser uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
Deze opvallende wilde gans broedt tijdens de zomer in het hoge noorden, vooral op de toendra�s van Groenland, Spitsbergen en Nova Zembla, waar moerassige gebieden en riviermondingen het leefgebied vormen. In de winter trekt de soort zuidwaarts naar de kusten van West-Europa, waar grote groepen te zien zijn op de Wadden en in graslanden nabij de zee. Het voedsel bestaat vrijwel uitsluitend uit gras, waarbij ze vooral jonge, eiwitrijke scheuten grazen; bijna 24 uur per dag eten ze tijdens de poolzomer, wat uniek is onder ganzen. De vogels zijn sociaal, broeden in kolonies en weten zich � mede dankzij de extreem lange daglichtperiode tijdens de zomer � goed te weren tegen roofdieren zoals poolvossen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Anser
Ringmaat
Man 18.0 mm Vrouw 18.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje is een forse gans met twee kleurvormen: de witte vorm en de blauwe vorm. - In de witte vorm is het verenkleed overwegend wit, met zwarte slagpennen die in vlucht contrasteren. - In de blauwe vorm is het lichaam donkergrijs tot zwartbruin, met een witte kop en bovendeel van de nek. Beide kleurvormen hebben een korte, roze snavel met een duidelijke zwarte �grinning patch� langs de zijkant, oranjeroze poten en een donkerbruine iris.
Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje maar gemiddeld iets kleiner en fijner van bouw. Bij de blauwe vorm is de tekening vaak minder contrastrijk en meer grijzig. Snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter en grijzer van kleur. Bij de witte vorm hebben ze een doffere grijswitte bovenzijde, bij de blauwe vorm is het lichaam dof bruingrijs met een vuilwitte kop. De snavel is grijzer roze met een zwakkere zwarte rand, de poten zijn grauwroze en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens zijn donzig geelachtig aan de onderzijde en olijfbruin aan de bovenzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en kin. De snavel is klein en grijsroze, de poten vleeskleurig en de iris donker.