Vogel
Sneeuwgans (kleine, blauw)
Sneeuwgans (kleine, blauw)
Anser caerulescens caerulescens
Log in om deze soort toe te voegenDe Sneeuwgans (kleine, blauw) (Synoniem: Blauwe sneeuwgans) behoort tot het geslacht Anser binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
Deze middelgrote watervogel broedt in de arctische en subarctische gebieden van Noord-Amerika, vooral in grasrijke toendra�s nabij meren en rivieroevers. Ze overwinteren langs de kust en in binnenlandse wetlands, waar ze vaak grote groepen vormen. Hun dieet bestaat uit plantaardig materiaal, en tijdens trektochten maken ze ruststops in moerassen, landbouwgronden en prairies.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Anser
Ringmaat
Man 16.0 mm Vrouw 16.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje is kleiner en slanker dan A. c. atlanticus. Er bestaan twee kleurvormen: - In de witte vorm is het verenkleed overwegend wit, met contrasterende zwarte slagpennen. - In de blauwe vorm is het lichaam donkergrijs tot bruinzwart met een witte kop en bovenhals. Beide vormen hebben een korte roze snavel met een zwarte �grinning patch�, roze poten en een donkerbruine iris.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje maar is gemiddeld iets kleiner en fijner van bouw. In de blauwe vorm is haar lichaam vaak wat grijzer van tint, en de scheiding tussen witte kop en donkere borst minder scherp. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter en grijzer van kleur. De witte vorm is vaal grijswit met een bruinig waas, de blauwe vorm is donkergrijsbruin met een vuilwitte kop. De snavel is grijzer roze met een minder duidelijke zwarte rand, de poten zijn doffer rozegrijs en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens zijn donzig geel aan de onderzijde en olijfbruin aan de bovenzijde, met een donkere kruinstreep en rugstrepen. Ze hebben lichtere wangen en kin. De snavel is klein en grijsroze, de poten vleeskleurig en de iris donker.