Vogel
Steppevorkstaartplevier
Steppevorkstaartplevier
Glareola nordmanni
Log in om deze soort toe te voegenDe Steppevorkstaartplevier behoort tot het geslacht Glareola binnen de familie van Vorkstaartplevieren (Glareolidae).
Deze vogel komt vooral voor in zuidoostelijk Europa en zuidwest Azi� en overwintert in tropisch Afrika. Hij leeft in open gebieden zoals graslanden, steppe en akkers, vaak nabij water. Het is een insectenetende soort die actief jaagt op vliegende insecten, vooral in de schemering, en broedt op de grond met 2 tot 4 eieren.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Renvogels en vorkstaartplevieren (Glareolidae)
- Bird Genus
- Glareola
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Vorkstaartplevieren
Vorkstaartplevieren zijn sierlijke vogels van open, droge landschappen waar zij actief jagen op insecten. Ze combineren grond- en luchtfoerageren en broeden op open, kale bodems. In de avicultuur vragen zij om ruime, overzichtelijke verblijven met droge bodems, veel zon en een rijk aanbod aan insecten. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: open buitenverblijf (40–60 m² per koppel); zand- of kleibodem; korte vegetatie en open zones; binnenverblijf ± 2–3 m² per vogel.
- Klimaat: warm en droog; temperatuur 15–30 °C; bij < 10–12 °C beschutte binnenruimte; schaduw en windbescherming noodzakelijk.
- Sociaal: sociaal; per koppel of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode; overzichtelijk verblijf vermindert stress.
- Voeding: insecten (krekels, meelwormen, sprinkhanen, vliegen); insectenvoer; voer verspreid aanbieden; altijd schoon water beschikbaar.
- Overig: broedplek op open zand of grind; dagelijkse hygiëne; rustige ligging bevordert welzijn en broedsucces.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
De man heeft een overwegend zandkleurig verenkleed met een subtiele goudachtige glans. De kop is donkerder met een duidelijke zwarte oogstreep die contrasteert met de lichtere keel. De borst is egaal met een zachte overgang naar de buik, die lichter van kleur is. De vleugels zijn donkerder met een lichte rand aan de dekveren, wat een versleten indruk kan geven. De snavel is kort en zwart met een lichte kromming aan het uiteinde. De poten zijn donkergrijs en slank, wat bijdraagt aan een sierlijke uitstraling. De iris is donkerbruin, omgeven door een dunne, onopvallende oogring.
Vrouw:
De vrouw lijkt sterk op de man, maar heeft een iets minder uitgesproken glans in het verenkleed. De oogstreep is minder contrasterend, waardoor de kop een zachtere uitstraling heeft. De borst en buik zijn gelijkmatig van kleur, zonder duidelijke scheiding. De vleugels hebben een vergelijkbare donkere tint, maar de randen zijn minder versleten. De snavel is vergelijkbaar in vorm en kleur, maar iets fijner. De poten zijn eveneens donkergrijs, maar kunnen een iets lichtere tint hebben. De iris en oogring zijn identiek aan die van de man.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een meer grijsachtige tint dan de volwassen vogels. De kop heeft een minder uitgesproken oogstreep, waardoor het contrast met de keel minder is. De borst en buik zijn egaler van kleur, met een subtiele bandering die bijdraagt aan camouflage. De vleugels zijn donker met een lichte, versleten rand aan de dekveren. De snavel is kort en donker, maar mist de glans van volwassen exemplaren. De poten zijn lichter grijs en minder slank dan bij volwassen vogels. De iris is donker, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Kuiken:
Kuikens hebben een pluizig, lichtbruin verenkleed met een subtiele streepjespatroon voor camouflage. De snavel en poten zijn lichtgrijs en nog niet volledig ontwikkeld.