Vogel
Strohalsibis
Strohalsibis
Threskiornis spinicollis
Log in om deze soort toe te voegenDe Strohalsibis behoort tot het geslacht Threskiornis uit de familie van Ibissen en lepelaars (Threskiornithidae).
De strohalsibis is een opvallende, grote watervogel die zich onderscheidt door zijn strogele veren op de hals en een zwart, kaal hoofd met een lange, gebogen snavel. Deze soort komt voor in Australië, Nieuw-Guinea, Tasmanië en delen van Indonesië, waar hij voorkeur heeft voor zoetwatermoerassen, vochtige graslanden, waterrijke weilanden en lagunes, maar vermijdt droge en zoute gebieden. Strohalsibissen zijn nomadisch en verplaatsen zich voortdurend op zoek naar geschikte leefgebieden, waarbij ze vaak in groepen van honderden exemplaren foerageren op insecten, weekdieren, kikkers en kleine reptielen. In het landschap zijn ze een vertrouwd beeld, zeker als ze hoog in kale bomen staan of in V-vorm door de lucht trekken.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Pelikanen, Reigerachtigen, Ibissen en Lepelaars (Pelecaniformes)
- Bird Family
- Ibissen en lepelaars (Threskiornithidae)
- Bird Genus
- Threskiornis
Ringmaat
Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mmWelzijnsadviezen
Ibissen en lepelaars
In de avicultuur vraagt deze soort om een ruime volière met waterpartijen, veilige broedgelegenheden en een gevarieerd dieet.
De volgende punten kunnen als aanbevolen richtlijn worden gebruikt:
- Huisvesting: ruime volière (ca. 20–30 m² per paar, ± 3 m hoog) met vijver of waterpartij en beplanting; nestplatforms of takkenbossen voor broed.
- Klimaat: gematigde soorten buiten met beschutting; tropische soorten vorstvrij (ca. 10 °C of warmer).
- Sociaal: groeps- of koloniehuisvesting aanbevolen; in broedseizoen voldoende ruimte en nestplekken om agressie te beperken.
- Voeding: watervogelpellets aangevuld met vis, weekdieren, garnalen, insecten; eventueel plantaardig materiaal.
- Water & hygiëne: altijd vers drink- en badwater; vijvers regelmatig verversen of doorstromen.
Man:
Het mannetje heeft een overwegend wit verenkleed over het lichaam, met zwarte vleugeltoppen en zwarte staartveren. De kop, nek en keel zijn kaal en zwart, met een opvallende reeks stugge, stroachtige halsveren (de 'strohals') die kenmerkend zijn voor deze soort. De snavel is lang, dun en naar beneden gebogen, zwart van kleur. De poten zijn zwart en lang, geschikt om in ondiep water te waden. De iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en vertoont hetzelfde zwart-witte verenkleed en de karakteristieke strohals. Ze is meestal iets kleiner, en de snavel kan iets slanker zijn. De poten en iris zijn identiek aan die van het mannetje.
Juveniel:
Jonge vogels lijken op de volwassenen, maar het witte verenkleed is matter en grijsachtig wit. De strohalsveren zijn nog niet ontwikkeld. De snavel is korter en donkergrijs, de poten grijzer en de iris bruinachtig.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, grijsbruin dons met lichtere vlekken op de bovenzijde voor camouflage. De onderzijde is lichter, bijna witachtig. De snavel is kort en grijs, de poten grijsgroen en de iris donkerbruin. Naarmate ze ouder worden, ontwikkelen snavel, poten en het volwassen zwart-witte verenkleed zich volledig en verschijnen de karakteristieke strohalsveren.