Vogel
Temmincks strandloper
Temmincks strandloper
Calidris temminckii
Log in om deze soort toe te voegenDe Temmincks strandloper behoort tot het geslacht Calidris uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).
Deze vogel bruist in het broedgebied in noordelijk Scandinavi� en Rusland in moerassen en toendra. Het is een solitaire en bescheiden vogel die vooral kleine ongewervelden eet en zich voedt door zicht en tast in zachte modder. Ze zijn niet gregarieus enisco�rdineren zelden grote groepen. Tijdens de trekt ziet men deze vogel in Nederland, vooral in kleine wateren met spaarzame begroeiing.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
- Bird Genus
- Calidris
Ringmaat
Man 3.0 mm Vrouw 3.0 mmWelzijnsadviezen
Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's
De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
- Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
- Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
- Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje is een kleine steltloper van circa 13�15 cm lengte, met een slank postuur en relatief korte zwarte poten. In broedkleed is de rug donkerbruin met zwarte centra en kastanjebruine randen, wat een fijn geschubd patroon geeft. De kop en borst zijn grijsbruin met fijne donkere streepjes, de buik is wit. De staart is grijsbruin, vaak met witte buitenste staartpennen die in vlucht zichtbaar zijn. De snavel is kort, recht en zwart. De iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje en moeilijk te onderscheiden in het veld. Zij is gemiddeld iets groter en de borsttekening kan subtieler zijn.
Juveniel:
Juvenielen hebben een frisser, warmer gekleurd kleed met zandkleurige randen aan de rug- en vleugelveren, waardoor een fijn geschubd patroon ontstaat. De borst is lichtbeige met subtiele donkere vlekjes, de buik vuilwit. De snavel is kort en grijzer bij de basis, de poten zijn iets valer.
Kuiken:
Kuikens zijn klein en bedekt met geelbruin dons met donkere rugstrepen en een vage oogstreep die voor camouflage zorgen in vochtige toendra en moerasgebieden. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de ogen donker. Het subtiele geschubde juvenielenkleed ontwikkelt zich pas na de eerste rui.