Vogel
Temmincks tragopaan
Temmincks tragopaan
Tragopan temminckii
Log in om deze soort toe te voegenDe Temmincks tragopaan behoort tot het geslacht Tragopan binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogel leeft in vochtige bergbossen tot 3000 meter hoogte in Noord-India, China, Myanmar en Vietnam. Hij beweegt seizoensgebonden tussen hoge en lagere gebieden en foerageert overdag in dicht struikgewas. 's Nachts rust hij in bomen, wat ongebruikelijk is voor fazanten. Het is een schuwe, vaak moeilijk te zien soort.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Tragopan
Ringmaat
Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mmWelzijnsadviezen
Tragopanen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote, fraai getekende fazant van circa 64-68 cm lengte. Het verenkleed is diep kastanjebruin, rijkelijk bezaaid met ronde, witte vlekken die zwart omlijnd zijn. De kop is roodachtig met een korte zwarte kuif. Rond het oog bevindt zich een grote kale huidzone, helder blauw van kleur, die tijdens de balts verder opzwelt. Bij balts spreidt het mannetje ook een felblauwe keelwam met oranje vlekken, die als een kleurrijk ornament zichtbaar wordt. De borst is kastanjebruin met witte vlekken, de buik vuilwit tot beige. De staart is kort, afgerond en bruin. De snavel is zwart, de poten zijn robijnrood en voorzien van een spoor, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is duidelijk kleiner en veel soberder gekleurd. Haar verenkleed is overwegend bruin met lichte schubjes en vlekken, uitstekend geschikt voor camouflage. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin met donkere stippen. De rug is donkerbruin met lichtere veerranden. De kale ooghuid is aanwezig maar veel kleiner en valer blauw dan bij het mannetje. De snavel is grijszwart, de poten roodachtig maar lichter en meestal zonder sporen, en de iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje met een overwegend bruin verenkleed en subtiele lichte vlekjes. De borst en buik zijn vuilwit tot beige met vage stipjes, de rug zandbruin met lichtere randen. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleekrood, en de iris zeer donker. Jonge hanen ontwikkelen tijdens de eerste rui de kastanjebruine vlekkenpracht en later de opvallende blauwe keelwam en ooghuid.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht geelbruin dons, voorzien van brede donkere lengtestrepen over rug en kop, een effectief camouflagepatroon in hun bosrijke leefgebied. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het uitgesproken geslachtsverschil verschijnt pas na de eerste rui.