Vogel
Tibetaanse oorfazant
Tibetaanse oorfazant
Crossoptilon harmani
Log in om deze soort toe te voegenDe Tibetaanse oorfazant (synoniem: Harmans oorfazant) behoort tot het geslacht Crossoptilon binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogel leeft voornamelijk in de bossen en struiken van zuidoost-Tibet en aangrenzend Noord-India, op hoogtes tussen 2.280 en 5.000 meter. Hij komt voor in naald- en gemengde bossen met dicht struikgewas en rotsachtige gebieden. De soort vormt in het voorjaar monogame koppels en voedt zich met plantaardig materiaal in open plekken tussen de begroeiing.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Crossoptilon
Ringmaat
Man 15.0 mm Vrouw 15.0 mmWelzijnsadviezen
Fazanten
Deze soort behoort tot de fazantachtigen (Phasianidae) en vraagt om een ruime, natuurlijke en beschutte leefomgeving.
Voor het welzijn van fazantachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Ruimte: ca. 10 m² per paar (2,5 m hoog); bij groepen ± 6 m² per dier vanaf 20 weken; jonge vogels stapsgewijs meer ruimte (1,5 → 3 → 6 m²).
- Inrichting: volière dicht beplant met struiken/bomen; zitgelegenheid; schuilhok van ca. ⅓ van de volière;
bij meerdere volières worden schermen om hanen te scheiden, geadviseerd. - Sociaal: houden in paren of haremgroepen; buiten de kweekperiode eventueel apart.
- Voeding: zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen; in kweek extra dierlijk eiwit (insecten, meelwormen).
- Overig: geschikte bodembedekking; geen ingrepen zoals snavelkappen of piercings.
Man:
Het mannetje is een forse, opvallende fazant van circa 90�96 cm lengte. Het verenkleed is overwegend donkergrijs tot leigrijs, fijn geschubd van patroon. De kop is wit met een korte, opgerichte kuif. Rond het oog bevindt zich een brede, kale huidzone die fel rood van kleur is. De borst en rug zijn gelijkmatig grijs, de buik is lichter grijs tot vuilwit. De staart is lang, breed en zuiver wit, vaak wijd gespreid getoond. De vleugels zijn eveneens wit, contrasterend met het donkere lichaam. De snavel is hoornkleurig tot lichtgrijs, de poten zijn rood en voorzien van sterke sporen, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en iets doffer van tint, maar verder sterk gelijkend. De koptekening met witte kuif en rode ooghuid is aanwezig maar vaak minder contrastrijk. Het grijze lichaam is soms iets bruiner getint. De snavel en poten zijn identiek van kleur, maar de poten missen meestal de uitgesproken sporen. De iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter bruin van kleur met lichtere veerranden, waardoor een geschubd patroon ontstaat. De witte kuif ontbreekt of is zeer kort. De rode ooghuid is nog klein en vaal. De borst en buik zijn lichtbruin tot beige, de staart en vleugels vuilwit met bruine zweem. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleekrood, en de iris zeer donker. Bij de eerste rui ontwikkelen zich het volle grijze verenkleed, de witte kuif en de contrasterende witte staart.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons voorzien van donkere lengtestrepen over rug en kop, een effectief camouflagepatroon in hun bergachtige leefgebied. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen kleurverschil en de rode ooghuid ontwikkelen zich pas na de eerste rui.