Vogel
West-Indische Dwergspecht
West-Indische Dwergspecht
Nesoctites micromegas
Log in om deze soort toe te voegenDe West-Indische Dwergspecht behoort tot het geslacht Nesoctites binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze vogel komt voor op Hawaii, waar hij leeft in dichte bosgebieden en vaak in de kruinen van bomen te vinden is. Hij voedt zich voornamelijk met insecten en kleine dieren en vertoont een teruggetrokken, schuwe levensstijl. Zijn gedrag is moeilijk te observeren door zijn verborgen leefwijze.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Nesoctites
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een overwegend olijfgroen verenkleed met een lichte glans op de rug. De kop is donkerder met een subtiele grijze tint, die contrasteert met de heldere witte keel. De borst is lichtgeel, geleidelijk overgaand in een grijsgroene buik. Vleugels zijn donkerder met lichte randen, wat een versleten uiterlijk kan geven. De staartveren zijn kort en hebben een donkere bandering aan de uiteinden. De snavel is kort en zwart, met een lichte kromming aan de punt. De poten zijn grijs met een gladde structuur, en de ogen hebben een donkere iris zonder opvallende oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een doffer verenkleed met minder glans dan de man. De kop is grijsgroen, zonder de donkere tinten van de man. De keel is wit, maar minder helder dan bij de man. De borst en buik zijn lichtgeel, met een subtiele groene waas. Vleugels zijn gelijkmatig olijfgroen met minder uitgesproken randen. De staart is korter en heeft een minder duidelijke bandering. De snavel is iets lichter van kleur, met een rechte vorm. De poten zijn grijs, vergelijkbaar met die van de man.
Juveniel:
Juvenielen hebben een dof olijfgroen verenkleed zonder de glans van volwassen vogels. De kop is egaal groen zonder duidelijke contrasten. De keel is vuilwit, met een vage gele tint op de borst. De buik is lichtgroen, zonder de gele nuances van volwassenen. Vleugels zijn uniform groen, met nauwelijks zichtbare randen. De staart is kort en egaal van kleur, zonder bandering. De snavel is grijsachtig, met een rechte vorm en een lichte punt.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. De snavel is kort en lichtgekleurd.