Vogel
Williams fazant
Williams fazant
Lophura leucomelanos williamsi
Log in om deze soort toe te voegenDe Williams fazant behoort tot het geslacht Lophura binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze ondersoort van het fazantengeslacht leeft in de bossen van westelijk Myanmar en nabijgelegen gebieden. Het vogelgedrag omvat het schuw en bodembewonend zijn, met een dieet van zaden, bessen en insecten. Ze vertonen een voorkeur voor dichte, vochtige tropische bossen waar ze zich meestal verstoppen in struikgewas.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Lophura
Ringmaat
Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mmWelzijnsadviezen
Fazanten
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een forse fazant van circa 75-85 cm lengte, waarvan de staart ruim de helft van de lichaamslengte kan uitmaken. Het verenkleed is glanzend zwart met een uitgesproken blauwgroene irisatie over kop, nek, borst en rug. De mantel en vleugeldekveren zijn helder wit, voorzien van fijne zwarte streping die een geschubd patroon vormt. De staart is lang en zwart met een blauwgroene glans. De kale huid rond de ogen is fel rood en zeer contrastrijk. De snavel is hoornkleurig tot lichtgeel, de poten zijn grijs tot hoornkleurig en voorzien van goed ontwikkelde sporen, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is aanzienlijk kleiner en sober gekleurd. Haar verenkleed is overwegend bruin tot kastanjebruin met donkere bandering en schubtekening, die uitstekende camouflage biedt in de bosbodem. De staart is korter en gebandeerd bruin. De rode ooghuid is aanwezig maar minder fel dan bij het mannetje. De snavel en poten zijn lichter grijsbruin.
Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje, met een overwegend bruin gebandeerd verenkleed en korte staart. Bij jonge hanen verschijnen vanaf het eerste jaar de eerste zwarte, glanzende veren en langere staartpennen. De witte mantel en contrasterende tekening ontwikkelen zich pas in het tweede levensjaar. De ooghuid kleurt geleidelijk feller rood.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met donkere strepen langs rug en kop, een camouflagepatroon typisch voor grondbroedende fazanten. De onderzijde is vuilwit tot crème. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de ogen donker. Het contrasterende zwart-witte kleed van de volwassen hanen verschijnt pas na de eerste jeugdrui.