Vogel
Witbuikdwergspecht
Witbuikdwergspecht
Picumnus spilogaster
Log in om deze soort toe te voegenDe Witbuikdwergspecht behoort tot het geslacht Picumnus binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze kleine vogel behoort tot de spechtachtigen en is inheems in noordelijk en noordoostelijk Zuid-Amerika. Hij komt voor in landen zoals Brazili�, Guyana, Suriname en Venezuela. De witbuikdwergspecht leeft voornamelijk in bossen en is een van de kleinste soorten uit de Picidae-familie. Door habitatverlies staat deze soort als kwetsbaar op de Rode Lijst. Zijn gedrag is voornamelijk gericht op het zoeken naar voedsel in de lagere boomlagen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Picumnus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend zwart-wit gestreept verenkleed op de kop. De nek en rug zijn donkergrijs met een subtiele glans. De vleugels vertonen een patroon van lichte en donkere vlekken. De borst is lichtgrijs met fijne, donkere stippen. De buik is wit met een lichte grijze tint. De snavel is kort en zwart, met een stevige basis. De poten zijn grijs en hebben een gladde structuur.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar gestreept patroon op de kop, maar minder uitgesproken. De nek en rug zijn matgrijs zonder glans. De vleugels hebben een minder contrasterend vlekkenpatroon. De borst is lichtgrijs met subtiele stippen. De buik is wit, soms met een lichte grijze waas. De snavel is kort, zwart en iets slanker dan die van de man. De poten zijn grijs en hebben een fijne textuur.
Juveniel:
Juvenielen hebben een minder uitgesproken streeppatroon op de kop. De nek en rug zijn doffer grijs. De vleugels vertonen een vaag vlekkenpatroon. De borst is lichtgrijs met nauwelijks zichtbare stippen. De buik is wit met een lichte grijze tint. De snavel is kort, zwart en nog in ontwikkeling. De poten zijn grijs en hebben een zachte structuur.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. De snavel is klein en lichtgrijs van kleur.