Vogel
Witkuiffazant
Witkuiffazant
Lophura leucomelanos hamiltonii
Log in om deze soort toe te voegenDe Witkuiffazant (synoniem: Witkuif nepalfazant) behoort tot het geslacht Lophura binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze ondersoort komt voor in de westelijke Himalaya, vooral in bossen en bergachtige gebieden van Jammu & Kashmir en naburige regio's. Hij leeft in subtropische en gematigde bossen waar hij zich voedt met zaden, insecten en kleine dieren. Het gedrag is schuw en terrestrisch, met de neiging om dicht bij de grond te blijven en zich snel te verbergen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Lophura
Ringmaat
Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mmWelzijnsadviezen
Fazanten
Deze soort behoort tot de fazantachtigen (Phasianidae) en vraagt om een ruime, natuurlijke en beschutte leefomgeving.
Voor het welzijn van fazantachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Ruimte: ca. 10 m² per paar (2,5 m hoog); bij groepen ± 6 m² per dier vanaf 20 weken; jonge vogels stapsgewijs meer ruimte (1,5 → 3 → 6 m²).
- Inrichting: volière dicht beplant met struiken/bomen; zitgelegenheid; schuilhok van ca. ⅓ van de volière;
bij meerdere volières worden schermen om hanen te scheiden, geadviseerd. - Sociaal: houden in paren of haremgroepen; buiten de kweekperiode eventueel apart.
- Voeding: zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen; in kweek extra dierlijk eiwit (insecten, meelwormen).
- Overig: geschikte bodembedekking; geen ingrepen zoals snavelkappen of piercings.
Man:
Het mannetje is een forse fazant van circa 75-85 cm lengte, waarvan de lange, brede staart bijna de helft van het lichaam beslaat. Het verenkleed is diep zwart met een sterke blauwgroene irisatie op kop, hals, borst en rug. De mantel en vleugeldekveren zijn contrasterend wit met fijne zwarte streping, wat een geschubd effect oplevert. De staart is lang, zwart met een blauwachtige glans. De kale huid rond het oog is fel rood en zeer opvallend. De snavel is hoornkleurig tot lichtgeel, de poten zijn grijs tot hoornkleurig en voorzien van goed ontwikkelde sporen, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is aanzienlijk kleiner en veel soberder gekleurd. Haar verenkleed is overwegend kastanjebruin tot donkerbruin, voorzien van fijne bandering en schubtekening die uitstekende camouflage biedt. De staart is korter, bruin gebandeerd en afgerond. De rode ooghuid is aanwezig maar minder fel contrasterend, en de snavel en poten zijn lichter grijsbruin.
Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje, met een overwegend bruin, gebandeerd verenkleed. Jonge hanen ontwikkelen vanaf hun eerste jaar de eerste zwarte, glanzende borstveren en langere staart, terwijl in het tweede levensjaar de witte mantelveren verschijnen. De rode ooghuid wordt bij jonge mannetjes gaandeweg feller.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met donkere strepen over rug en kruin, een camouflagepatroon dat typisch is voor grondbroedende fazanten. De onderzijde is vuilwit tot crème. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de ogen donker. Het zwart-witte verenkleed met glans ontwikkelt zich pas tijdens de jeugdrui bij hanen.