Vogel
Witvleugelspecht
Witvleugelspecht
Dendrocopos leucopterus
Log in om deze soort toe te voegenDe Witvleugelspecht behoort tot het geslacht Dendrocopos binnen de familie van Spechten (Picidae).
De witvleugelspecht is een vogelsoort die voornamelijk in Centraal-Azi� voorkomt, vanuit Kazakhstan tot westelijk China. Deze specht bewoont met name rivierbossen en rivieroevers. Ze zijn te vinden in temperate en subtropische bossen en zijn niet migrerend, wat betekent dat ze het hele jaar door in hun lokale habitat blijven. Hun afwezigheid van seizoensgebonden migratie maakt hen een karakteristieke verschijning in hun lokale ecosystemen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Dendrocopos
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend zwart-wit verenkleed met een glanzende zwarte kop. De witte wangen contrasteren sterk met de zwarte kruin en nek. De rug is zwart met witte strepen, terwijl de vleugels zwart-wit gebandeerd zijn. De borst en buik zijn wit met een lichte grijze tint. De snavel is recht en zwart, met een stevige basis. De poten zijn grijs en hebben een robuuste structuur. De iris is donkerbruin, wat een scherp contrast vormt met de lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar zwart-wit patroon, maar mist de rode vlek op de kruin. Haar kop is volledig zwart met witte wangen en een witte nek. De vleugels vertonen een duidelijke zwart-witte bandering, vergelijkbaar met de man. De borst en buik zijn wit, soms met een subtiele grijze schaduw. De snavel is iets slanker dan die van de man, maar eveneens zwart. De poten zijn grijs en stevig, met een vergelijkbare structuur als de man. De iris is donkerbruin, omgeven door een lichte oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met minder contrast tussen zwart en wit. De kop is zwart met een vage rode vlek op de kruin, die bij beide geslachten voorkomt. De vleugels zijn gebandeerd, maar de witte delen zijn minder helder. De borst en buik zijn vuilwit met een grijze waas. De snavel is korter en lichter van kleur dan bij volwassenen. De poten zijn grijs, maar minder robuust dan bij volwassen vogels. De iris is donkerbruin, met een minder uitgesproken oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne laag grijs dons. Hun snavels zijn kort en lichtgrijs van kleur.