Zuidzeewulp

Numenius tahitiensis

Log in om deze soort toe te voegen

De Zuidzeewulp behoort tot het geslacht Numenius uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

Deze vogelsoort was endemisch op het eiland Tahiti in de Stille Zuidzee. Over het habitat en het gedrag van deze vogel is weinig bekend, mede door zijn zeldzame en nu uitgestorven status. De ontdekking vond plaats tijdens een reis van Kapitein Cook. Er is geen informatie over de broedgewoontes of voedselopname van deze soort.

Zuidzeewulp
Bristle-thighed Curlew
Borstenbrachvogel
Courlis d'Alaska

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Numenius

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Man:
Het mannetje is een middelgrote wulp van circa 40�44 cm lengte, compact gebouwd met een korte hals en een vrij korte, sterk neergebogen snavel in vergelijking met andere wulpen. De kop is bruin met een vaag lichtere wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De bovenzijde is donkerbruin met lichtere en beige veerranden, waardoor een geschubd patroon ontstaat. De borst en flanken zijn lichtbruin met fijne donkere streepjes, de buik is vuilwit. In vlucht vallen de donkerbruine bovenvleugels op en de contrasterend lichtere ondervleugels. De snavel is hoornkleurig tot zwart, de poten zijn blauwgrijs, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is gemiddeld groter en forser gebouwd, met een langere snavel die sterker gebogen is. Het verenkleed is identiek aan dat van het mannetje, waardoor geslachten in het veld moeilijk te onderscheiden zijn behalve op formaat en snavellengte.

Juveniel:
Juvenielen zijn warmer bruin getint met duidelijk lichtere randen aan de bovenvleugelveren, waardoor een geschubde indruk ontstaat. De borst is lichtbeige met subtiele streepjes, de buik vuilwit. De snavel is relatief korter en meer recht, donkergrijs van kleur. De poten zijn vleeskleurig tot blauwgrijs, en de iris is zeer donker. Tijdens de eerste rui ontwikkelt de snavel de langere en meer gebogen vorm van adulten.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met donkere vlekken en lengtestrepen over rug en kop, uitstekend geschikt als camouflage in open toendra en kusthabitats. De onderzijde is vuilwit tot cr�me. De snavel is aanvankelijk kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de iris zwartbruin. De karakteristieke gebogen snavel groeit door in de eerste levensmaanden.