Zwarte dwergral

Laterallus jamaicensis

Log in om deze soort toe te voegen

De Zwarte dwergral behoort tot het geslacht Laterallus binnen de familie van Rallen, koeten (Rallidae).

Deze kleine, zeer schuwe moerasvogel komt voor in zoute, brakke en zoete moerassen langs de Atlantische kust van de VS, de Golfkust en enkele plekken verder landinwaarts, zoals Kansas; in de winter trekt hij zuidelijker in het oosten van de VS en naar Midden-Amerika. De soort geeft de voorkeur aan dichtbegroeide, hoge delen van moerassen met grassen, russen en zegges, waar hij zich voedt met kleine ongewervelden zoals insecten en slakjes. Door zijn verborgen levenswijze is de vogel vooral �s nachts te horen aan zijn karakteristieke roep, maar hij is zelden te zien; grote aantallen zijn in het veld alleen tijdens hoge vloeden, als ze uit dekking komen.

Zwarte dwergral
Black Rail
Schieferralle
R�le noir

Taxonomische indeling

Bird Order
Kraanvogelachtigen (Gruiformes)
Bird Family
Rallen, hoentjes en koeten (Rallidae)
Bird Genus
Laterallus

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Rallen en koeten

Rallen en koeten zijn overwegend moerasvogels die leven in waterrijke gebieden met dichte oeverbegroeiing. In de avicultuur vragen ze om rustige, goed beplante verblijven met voldoende water, dekking en mogelijkheden tot natuurlijk foerageer- en nestgedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: buitenverblijf met open water (30–50 m² per paar, 0,5–1,5 m diep) en dichte oeverbegroeiing (riet, lisdodde, grassen); landgedeelte ± 10–15 m² per paar; drijvende of half drijvende platforms als rust- of nestplaatsen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; buiten overwinteren op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij verblijf met water (>10 °C); beschutting tegen wind en regen aanbevolen.
  • Sociaal: houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – visuele afscheiding of aparte verblijven wenselijk; rustige omgeving voorkomt stress.
  • Voeding: watervogelpellets of omnivoor watervogelvoer; aanvullen met insecten, wormen, zaden en waterplanten; in kweek extra dierlijk eiwit (meelwormen, garnalen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit door filtratie of doorstroming; dichte begroeiing en schuilplekken essentieel; scherpe randen en drijfafval vermijden.
Huisvestingsrichtlijnen Rallen Koeten

Man:
De man heeft een donkergrijze kop en nek met een subtiele blauwe glans. De borst is effen grijs, terwijl de buik een lichtere grijstint vertoont. De vleugels zijn donkerbruin met fijne zwarte strepen, wat een gestreept patroon cre�ert. De rug en staart zijn donkerbruin, met een lichte roodachtige tint. De snavel is kort en zwart, met een lichte kromming aan de punt. De poten zijn olijfkleurig en hebben een gladde textuur. De ogen zijn donkerbruin met een onopvallende oogring.

Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder uitgesproken kleuren. De kop en nek zijn donkergrijs, zonder de blauwe glans. De borst is lichtgrijs, met een subtiele overgang naar de buik. De vleugels zijn donkerbruin met minder duidelijke strepen dan bij de man. De rug en staart hebben een meer uniforme bruine kleur. De snavel is zwart en iets korter dan die van de man. De poten zijn olijfkleurig, maar iets lichter van tint. De ogen zijn donkerbruin met een smalle, lichte oogring.

Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruin verenkleed met een vage streping op de vleugels. De kop en nek zijn lichtbruin, zonder de glans die bij volwassenen te zien is. De borst en buik zijn lichtbruin, met een geleidelijke overgang naar de donkerdere rug. De vleugels zijn donkerbruin met een onregelmatig patroon van lichtere strepen. De snavel is donkergrijs en korter dan bij volwassenen. De poten zijn lichtbruin en hebben een ruwe textuur. De ogen zijn donkerbruin met een nauwelijks zichtbare oogring.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig zwart verenkleed. De snavel en poten zijn lichtgrijs van kleur.