Zwartsnaveltoerako

Tauraco schuettii

Log in om deze soort toe te voegen

De Zwartsnaveltoerako behoort tot het geslacht Tauraco uit de familie van Toerako's (Musophagidae).

Deze vogel, bekend vanwege zijn glanzend groene verenkleed, witte kuif en opvallende zwarte snavel, komt voor in de dichte bossen van Centraal-Afrika, met name in de Democratische Republiek Congo, Uganda, West-Kenia, Burundi, Rwanda en Zuid-Soedan. Hij is een standvogel die permanent in zijn leefgebied blijft, waar hij zich voedt met vruchten, zaden en bladmateriaal. De vogel leeft vooral hoog in de bomen, bouwt zijn nest op enkele meters hoogte en staat bekend om zijn kenmerkende, rollende roep. Paren verdedigen hun territorium gezamenlijk en broeden samen de eieren uit.

Zwartsnaveltoerako
Black-billed Turaco
Schwarzschnabelturako
Touraco � bec noir

Taxonomische indeling

Bird Order
Toerako's (Musophagiformes)
Bird Family
Toerako's (Musophagidae)
Bird Genus
Tauraco

Ringmaat

Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mm

Welzijnsadviezen

Toerako's

Toerako’s zijn middelgrote, tropische bosvogels afkomstig uit Afrika. Ze brengen veel tijd door in bomen en struiken en vragen in de avicultuur om ruime, groene volières met klimmogelijkheden en beschutting. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruime volière (8–12 m² per paar, 2–3 m hoog) met dichte beplanting, klimplanten en takken; droog, tochtvrij binnenverblijf.
  • Klimaat: tropische omstandigheden; temperatuur bij voorkeur boven 10–15 °C; in winter verwarmd binnenverblijf; luchtvochtigheid 50–70%.
  • Sociaal: houden in paren of kleine familiegroepen; tijdens broedperiode koppels eventueel apart.
  • Voeding: zachtvoer voor vruchtenetende vogels; vers fruit, bessen, bladgroen en af en toe insecten; altijd vers drink- en badwater.
  • Overig: rustige omgeving met veel verrijking, natuurlijke begroeiing en variatie in zitmogelijkheden.
Purperkuiftoerako

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Deze vogel valt onder bijlage B en wordt niet als direct bedreigd beschouwd, maar staat wel onder bescherming om te voorkomen dat handel de populaties schaadt. In de avicultuur is het toegestaan deze soort te houden en te kweken, mits de legale herkomst duidelijk kan worden aangetoond. Bij overdracht of verkoop moet altijd een overdrachtsverklaring of registratie aanwezig zijn. Hierdoor kan bij controles worden bewezen dat de vogel afkomstig is uit legale kweek en niet uit de natuur is onttrokken.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Mag in avicultuur worden gehouden en gekweekt.
  • Handel en overdracht alleen toegestaan met overdrachtsverklaring of registratie.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd aantoonbaar zijn.
  • Minder streng dan bijlage A, maar wel documentatieplicht.

Man:
Het mannetje is een middelgrote loerie van circa 40�42 cm lengte. Het verenkleed is overwegend smaragdgroen, met een blauwgroene glans op rug en vleugels. De borst en buik zijn lichter geelgroen, terwijl de onderstaartdekveren kastanjebruin zijn. De vleugels dragen karmozijnrode slagpennen, die in vlucht fel contrasteren. De kop wordt gekenmerkt door een opvallende hoge kuif: groen aan de basis met een brede, witte top, die rechtop gedragen kan worden. De staart is lang en trapvormig, donkergroen met een blauwe glans. De ogen zijn oranjerood, omgeven door een brede, kale rode huidring. De snavel is kort, stevig en rood. De poten zijn donkergrijs tot zwart.

Vrouw:
Het vrouwtje is nagenoeg identiek aan het mannetje en in het veld nauwelijks te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kuif is vaak minder hoog. De oogring en snavel zijn rood, soms iets valer van tint.

Juveniel:
Juvenielen zijn matter en olijfgroen van kleur. De kuif is kort en vaak zonder de witte top. De oogring is kleiner en bleker rood, soms eerder roze. De snavel is grijsgroen en verkleurt later naar rood. De iris is bruin in plaats van oranjerood.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met donkerbruin dons. Zoals bij andere loeries bezitten ze kleine haakvormige structuren aan vleugels en poten, waarmee ze zich in struiken en bomen kunnen verplaatsen. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de ogen gesloten bij geboorte, later donkerbruin. Het smaragdgroene verenkleed en de kuif met witte top ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.